Sommige zaken zijn belangrijk voor ons allemaal en om die reden heeft de voorzitter van de joodse gemeente het volgende artikel in het NIW van deze week geschreven en vragen wij uw aandacht voor dit zeer belangrijke onderwerp.
De Joodse Gemeente Amsterdam is nog de enige gemeente in Nederland die de sjechita (kosjere slacht)voor heel Nederland verzorgt. Het in stand houden van de sjechita is door de beperkte afzet van het vlees enorm kostbaar maar tegelijk een groot goed. De hoge kosten die hiermee gemoeid gaan worden onder andere opgebracht door de leden van de NIHS. Er zijn in Europa steeds minder plekken waar nog kosjer geslacht kan of mag worden.
Ook de sjechita in Nederland staat onder druk. Van buitenaf omdat een aantal politieke partijen, zoals de Partij voor de Dieren en de PVV, pleiten voor de afschaf van het onverdoofd en/of ritueel slachten.
Ook van binnenuit de gemeente wordt de druk gevoeld. Marcus, de enige nog kosjere slagerij in Nederland klaagt over verminderde omzet en het gebrek aan bescherming van haar afzetmarkt. De NIHS ervaart dat het over de jaren steeds lastiger is geworden om de markt te beïnvloeden, laat staan te sturen. Wij moeten ons altijd afvragen of het beschermen van onze eigen kosjere slacht nog wel zin heeft. Of het niet een achterhaald principe is.
Vanuit alle wereld delen wordt kosjer vlees op de markt gebracht en door de consumenten gekocht. Soms vers vlees, maar meestal diepvries. Soms door bestaande ondernemers, maar ook door particulieren die met busjes heen en weer rijden om hun vlees te halen. Soms lekker en van hoge kwaliteit en soms niet te eten en van onbekende afkomst. Veelal goedkoop of goedkoper dan de prijzen van de ambachtslager Marcus.
De consument heeft altijd gelijk. Als men niet meer wil kopen, dan heeft de ondernemer pech gehad, wat voor een zinnige of onzinnige argumenten daarvoor ook worden aangedragen. Zo is het nou eenmaal.
De Joodse Gemeente is geen vleesondernemer en kan en wil dat ook niet zijn. Ze voelt wel een verantwoordelijkheid voor de het in stand houden van de kosjere slacht en in het verlengende daarvan de kosjere slager. Het is echter de ondernemer zelf die de afweging moet maken of het voortbestaan van zijn bedrijf zinvol of rendabel is.
De Joodse Gemeente Amsterdam faciliteert, maar meer kan zij niet doen. Wel hoopt zij vurig dat de enige kosjere slager het hoofd boven water kan houden. Het besluit daartoe ligt echter op de markt. De consument is aan zet en bepaalt. Marcus en zijn (potentiële) klanten zullen elkaar op die markt moeten vinden. Zo niet, dan komt het einde van deze Joods-Amsterdamse ambacht wellicht sneller in zicht dan verwacht en gewenst.